Hulp » Braille » Het braille kritisch bekeken

Het braille kritisch bekeken

Het braille is een waardevol maar onvolwaardig schriftstelsel.  In “Lezen met  de vingers” (1977) zegt M.C.J. Mommers het aldus: “De geschiedenis heeft  geleerd, dat het braillesysteem een geniale vinding is geweest, waardoor de  mogelijkheden van de blinden aanzienlijk groter zijn geworden dan voorheen.   Dit neemt niet weg, dat brailleschrift in vergelijking met het zwartschrift  duidelijk in het nadeel is.”

In de ruim 150 jaar van zijn bestaan zijn de bezwaren en kritiek dan ook geen  ogenblik uit de lucht geweest.  Maar is er iets beters denkbaar?

Het brailleschrift was in 1825 praktisch “bedrijfsklaar”.  Al dadelijk werd als  bezwaar aangevoerd, dat zijn lettertekens elke gelijkenis met die van de zienden  misten.  Zoals bekend, trachtte te Brugge kanunnik Carton daar binnen het stelsel  een mouw aan te passen.  Maar buiten een zeer enge kring oogstte hij geen succes.  Te Parijs in het instituut waar het brailleschrift ontstond, werd het  aanvankelijk als een soort tweede schrift beperkt gebezigd, maar in 1840  resoluut uit het blindenonderwijs gebannen.  Pas in 1850 erkende directeur Dufau  de meerderwaardigheid van het braille als blindenschrift op de nog alom benutte  zwartschrifttekens in reliëf.  Het gebruik dat blinden thans maken van dactylo en  optacon toont aan dat ook op onze dagen, het braille alleen niet alle behoeften  dekt.

In 1854 bleken alle blindeninstituten in Frankrijk zich tot het braillestelsel  te hebben bekeerd.  Men vond nu dat het lieve vaderland iets had gepresteerd, dat  heel de wereld dienstig kon zijn.  Een propagandabrochure werd gestuurd naar alle  blindeninstituten in Europa en Amerika met het braillealfabet en bij wijze van  proef, het onzevader in braille in zes talen.

Maar nu ging men het stelsel zelf op de korrel nemen:
A. De beste tekens waren niet aan de meest voorkomende letters toegekend.  Dat  klopte, maar
verbeteringen op dat gebied zouden voor elk taalgebied een ander braillealfabet  opleveren.  Vooral in de Duitstalige landen ontbrandde een hevige strijd tussen  voor- en tegenstanders van een verbeterd alfabet.  In 1878 werd deze strijd  beslecht ten voordele van het oorspronkelijke ontwerp.
B. Aan bepaalde aspecten van de typografie was te achteloos voorbijgegaan.  Rond  1880 werden het hoofdletter- en het cursiefteken ingevoerd.
C. Zoals in het alfabet van de zienden, hoorde de “w” in het braillealfabet op  de 23ste en niet op de 40ste plaats te staan.  In een deel van Amerika ging men  aan onze tekens voor x, y, z en ç, resp.  de betekenis geven van: w, x, y en z.  Aan de verwarring die hieruit ontstond, kwam in 1918 een einde.

Aan elk tactiel schriftstelsel kleven nadelen.  Mommers preciseert: “De benodigde  ruimte voor een bepaalde tekst in braille, is veel groter dan die voor  zwartdrukletters.  In het gunstigste geval is de bedrukte oppervlakte van  brailleboeken 30-maal zo groot en in ongunstige gevallen, 50-maal of meer.”   Bovendien is het benodigde papier dikker.

Met het oog op ruimtebesparing is men destijds te Woluwe de brailleletters  merkelijk gaan verkleinen, wat vooral buiten de Woluwse kringen voor heel wat  leesmoeilijkheden heeft gezorgd.  Na de Tweede Wereldoorlog is dit verkleind  brailleschrift gelukkig volkomen in onbruik geraakt.

In aansluiting hierbij een passage uit “Lezen met de vingers”: “In het begin van  deze eeuw werd in de USA het initiatief genomen om tot een eenheid te komen met  betrekking tot de brailletekens.  Tussen 1910 en 1920 werden een aantal  onderzoekingen verricht in verband met de meest geschikte afmetingen van de  braillepunten en hun onderlinge afstanden.  Dit resulteerde in 1920 voor de USA  in een standaardisering van de brailledruk.  De standaardafmetingen tussen de  punten (vermoedelijk bedoeld van het midden van het ene punt tot het midden van  het andere punt) werden vastgesteld op 2,29 mm; de afstand tussen de cellen op  4,06 mm en die tussen de regels, op 7,62 mm.  Op grond van later onderzoek (1957)  kwam men tot de bevinding, dat afgeronde, kegelvormige punten met een hoogte van  0,38 mm en aan de basis een diameter van 1,40 tot 1,52 mm de voorkeur verdienen.  In de praktijk van diverse landen komen nog steeds verschillen voor, in  betrekking met de gebruikte afmetingen, maar deze verschillen zijn slechts  klein.”  Toch liggen de regels thans duidelijk dichter bij elkaar dan  in 1920 werd aanbevolen.

Reeds in 1863 had men het versregelteken bedacht om bij het noteren van poëzie  geen ruimte te verliezen door aan het einde van elke versregel, naar een andere  regel over te gaan.  Later trachtte men in Amerika ruimte te winnen met een  volkomen nieuw en erg revolutionair stelsel, het “New-York Point”, met  lettertekens die slechts 2 punten hoog en 1, 2, 3 of 4 punten breed konden zijn.  Ook dit experiment werd in 1918 naar het stort verwezen.

Een laatste middel tot ruimtebesparing, het kortschrift, boekte meer bijval; tot  genoegen van de enen, tot spijt van de anderen.  De stelsels die in de diverse  landen worden toegepast zouden een ruimtewinst opleveren, variërend tussen 10 en  30%.  Noodzakelijk gebaseerd op de eigen spelling en de frequentie van woorden en  lettergrepen in elke taal, verschillen de kortschriftstelsels grondig van het  ene taalgebied tot het andere, wat een wezenlijke rem betekent voor eenieder,  die braille wil lezen in meerdere talen.

Niet alleen neemt het braille in vergelijking met het zwartschrift meer ruimte  in.  Vrij algemeen wordt aangenomen dat het lezen ervan gemiddeld minstens twee- tot driemaal zoveel tijd vraagt.  Vooral bij minder verstandige leerlingen blijft  het leestempo meestal bijzonder laag.  Dit brangt Mommers tot de uitspraak  “dat beneden een bepaald intelligentieniveau brailleschrift ophoudt een  effectief communicatiemiddel te zijn”.  Tijdverlies bij het lezen is  uiteraard van belang: “Bij integratie van blinde leerlingen in het normale  onderwijs vormt het tijdverschil een reële moeilijkheid en deze moeilijkheid  wordt groter, naarmate het kind minder begaafd is.”
Mommers heeft zo zijn twijfels over het een en ander: “Bij geplande  veranderingen in het onderwijs heeft men veelal te eenzijdig aandacht voor wat  men ermee denkt te winnen en te weinig, voor wat men erdoor verliest.”

In landen, waar kortschrift slechts een beperkt gebruik geniet, verwacht men  doorgaans niet dat het kortschrift ertoe kan bijdragen het leestempo te  verhogen.  Niettemin wees in 1972 een vergelijkend onderzoek in Engeland uit, dat  bij kortschrift de leestijd gemiddeld ongeveer 2/3 bedroeg van die bij volschrift.  Hierbij dient evenwel aangestipt, dat de proefpersonen gewend waren kortschrift  te lezen en slechts weinig ervaring hadden met het lezen van volschrift.  In  Duitsland bleek in 1951 kortschrift een gemiddelde besparing aan leestijd op te  leveren van 15,2% met een variatiebreedte van 6,2 tot 21%.  In 1975 stelde men  met het Zweedse kortschrift een tijdwinst vast van ruim 8%, terwijl het Deense  een gemiddelde tijdwinst bleek te geven van 22% bij een gemakkelijke tekst en  van 9 tot 14%, bij een moeilijke.

Hieruit zouden we drie gevolgtrekkingen kunnen maken:
A. Kortschrift bespaart niet enkel ruimte, het kan ook het leestempo opvoeren.
B. Hiertoe is nodig, dat men het haast uitsluitend gebruikt.
C. De tijdwinst blijkt geringer bij moeilijke dan bij gemakkelijke teksten, maar  blijft altijd
beduidend.

Inzake typografische mogelijkheden moet het brailleschrift met zijn nauw  uitgetelde 63 tekens, het kansloos afleggen tegen het haast onbegrensde aantal  beschikbare zwartdruktekens.  Zijn ontwerper bracht een stelsel tot stand, dat  ongetwijfeld ten volle voldeed aan de behoeften van zijn tijd.  Door de  uitbreiding van de intellectuele en professionele aanspraken van de blinden zijn  de eisen, die aan het schriftsysteem worden gesteld mede verruimd.  Wat Louis  Braille aan muziekschrift, kortschrift, mathematisch en wetenschappelijk schrift  naliet, is nauwelijks meer dan een uitgangspunt te noemen van wat er in dit  opzicht achteraf is ontstaan.  Andere stelsels zoals voor scheikunde, stenografie  en fonetische noteringen werden eraan toegevoegd.

Hoe vernuftig men ook met de 63 brailletekens omspringt, het wordt steeds  duidelijker dat dit geringe aantal niet langer volstaat.  Men is dan ook gaan  experimenteren met “uitgebreide” braillesystemen op basis van tekens met  tweemaal 4, driemaal 3 en driemaal 4 punten.  In “De Verenigde Staten van Amerika  en Canada” verzekert dr. H.L. Jonckers dat de verrichte onderzoekingen in  de VS hebben uitgewezen, dat tekens op basis van 9 of 12 punten zeer goed  leesbaar zijn.  Terecht merkt hij op: “Uiteraard biedt uitbreiding van de  realiseerbare verzameling brailletekens vele interessante mogelijkheden voor  bijzondere coderingssystemen zoals vereist voor de wiskunde, de scheikunde en  enkele bijzondere talen.”

Men denkt er echter niet aan, het traditionele braille over boord te gooien.  Voor elke onderzochte symbolenverzameling werden twee basisvoorwaarden  vooropgesteld:
1. De oorspronkelijke brailletekens moeten deel uitmaken van elk nieuw systeem.
2. In tekens met meer dan 2 kolommen mogen geen lege tussenkolommen voorkomen;  d.w.z.  van elke kolom moet er minstens één punt aanwezig zijn, om het teken als  één geheel te doen herkennen.

Men weet dat er reeds stenoapparaten in gebruik zijn, op basis van 7 punten in  de DDR en op basis van 8 in de Duitse Bondsrepubliek.

In de laatste twintig jaar heeft de gesproken lectuur, zowel voor studie en  informatie als voor ontspanning, zeer veel terrein ingepalmd dat vroeger  onbetwist aan het braille toebehoorde.  Met voorlezen en beluisteren kan een  gegeven tekst zo veel vlugger verwerkt worden, dan met het noteren en aftasten  van brailleschrift.  Volgens Mommers “kan bij luisteren onder optimale  omstandigheden een snelheid van 450 à 500 woorden per minuut worden bereikt en  dat is vijf- tot tienmaal zo snel als bij braillelezen”.

Toch blijft een schriftstelsel nodig.  maar moet dit zich noodzakelijkerwijs  blijven richten op de beperkte ruimte van de vingertop?  Met een laatste  verwijzing naar “Lezen met de vingers”: “Het is minstens in theorie denkbaar dat  er anderssoortige tekensystemen te ontwerpen zijn, b.v.  gebaseerd op  vibratorische of elektronische stimulatie, die een snellere informatieverwerking  mogelijk zouden kunnen maken.”

Laatst bijgewerkt op 17 juni 2011 – 12:29