Ooginfo » Verlichting

Zien: Verlichting

1. INLEIDING
2. VOORKOMING VERBLINDING /  LICHTHINDER
3. BEGRIPPEN ROND VERLICHTING
3.1 Luminantie
3.2 Verlichtingssterkte
3.3 Contrast
4. SCHEMA AANBEVOLEN  VERLICHTINGSSTERKTES
***

1. INLEIDING

We zien bij de gratie van licht; in het pikkedonker zien we niets.

De behoefte aan licht loopt op met de leeftijd.  Een persoon van 60 jaar heeft 10  keer zo veel licht nodig als iemand van 20 jaar.  Licht heeft een duidelijke  invloed op de contrast- en kleurwaarneming.
Voor slechtzienden geldt dat de behoefte aan licht zeer individueel bepaald  dient te worden.  Er zijn geen algemene richtlijnen te geven in de zin van ‘ieder  persoon met cataract heeft behoefte aan veel warm licht’.  De ene slechtziende  ziet het beste bij extra veel licht, de andere functioneert juist beter bij een  laag lichtniveau.
Een goede verlichting kan de visuele mogelijkheden van een slechtziende  vergroten, een slechte verlichting kan een negatief effect hebben.  Verkeerde  verlichting kan bij langdurig gebruik leiden tot klachten over hoofdpijn,  overmatige vermoeidheid of een branderig gevoel achter de ogen.  Storende  elementen moeten dus zoveel mogelijk worden voorkomen.  We noemen hier  bijvoorbeeld te weinig of te veel licht en hinder van direct licht of  reflecties.
Het verrichten van visuele taken bij een te lage verlichtingssterkte kan wel  leiden tot vermoeidheid maar niet tot oogbederf.
Het is belangrijk te onderzoeken welke kleur en welke hoeveelheid licht een  optimaal visueel functioneren mogelijk maken.  Daarbij moet worden bepaald bij  welke verlichting men het beste ziet en bij welke verlichting men zich het  prettigst voelt, zodat het ook gedurende langere tijd is vol te houden.
Soms spreken de uitkomsten van deze bepalingen elkaar tegen en zal er dus een  keuze gemaakt moeten worden: wilt u zo goed mogelijk zien, of wilt u een  comfortabele situatie creëren?  Deze keuze zal vaak van de taak en de situatie  afhangen: gaat het om presteren of om ontspannen?
We kunnen onderscheid maken tussen algemene of basisverlichting enerzijds en  werkplek- of taakverlichting anderzijds.
De basisverlichting maakt het mogelijk om zich goed voort te bewegen en te  oriënteren in een ruimte.  De werkplekverlichting maakt het mogelijk om details  te zien, zoals tijdens lezen, handwerken, snijden van groenten, etc.
Voor het verrichten van taken waarbij een groter beroep wordt gedaan op het  detail- zien heeft men in het algemeen meer licht nodig dan voor de ‘grovere’  taken.
Voor de algemene verlichting geldt in het algemeen dat deze zo egaal mogelijk  dient te zijn, zodat geen donkere hoeken of schaduwwerkingen kunnen ontstaan,  omdat anders een voortdurende aanpassing van het oog wordt gevraagd.
Dit kan bereikt worden door het aanbrengen van meerdere lampen.
De uiteindelijke lichtsfeer wordt niet alleen bepaald door de aangebrachte  hoeveelheid licht, maar ook door de omgeving: in een ruimte waar veel donkere  meubels staan en een donkere vloerbedekking ligt, is het effect heel anders dan  in een lichte ruimte met lichte meubels.
De plek waar men vaak zit (met name als het gaat om een bureauopstelling) dient  zodanig ten opzichte van ramen en armaturen geplaatst te zijn, dat geen hinder  kan ontstaan van direct of indirect invallend licht.
De plaatsing van een beeldscherm dient zodanig te zijn dat geen hinder kan  ontstaan van reflecties van armaturen en daglicht vanaf het beeldscherm.
Daarbij is het belangrijk een werkplek zodanig te kiezen dat er zich geen  hinderlijk licht (b.v.  uitstralende armaturen) in het gezichtsveld bevindt.
Ook moet men proberen reflecties vanaf grote gladde of glimmende oppervlakken te  voorkomen.
Hinderlijk daglicht kan men weren door middel van een goede zonwering  (zonnescherm, horizontale of verticale lamellen, vitrage etc.).
Wanneer men snel last heeft van (fel) zonlicht kan men gebruik maken van een  goede zonnebril, pet of zonneklep.  Er bestaan ook filters die ook het licht aan  de zijkant en bovenkant afschermen in de vorm van achterhangers of  overzetbrillen.
Terug naar boven

2. VOORKOMING  VERBLINDING / LICHTHINDER

Om verblinding / lichthinder te voorkomen, moeten we dus op de volgende punten  letten:

* het voldoende afschermen van de lichtbronnen in de kijkrichting;
* het contrast tussen lichtbron en achtergrond zo klein mogelijk maken (geen  heldere lamp of lampenkap tegen een donkere achtergrond plaatsen);
* storende lichtbronnen buiten het gezichtsveld plaatsen.  Lees- en  werkplekverlichting niet vóór, maar naast of boven de gebruiker plaatsen;
* het oppervlak van werktafels zo mat mogelijk uitvoeren.  Bijvoorbeeld geen  glazen tafelblad, geen glimmende toetsen op een toetsenbord;
* niet met het gezicht naar het raam gekeerd gaan zitten.
Steeds geldt dat we het licht dáár moeten brengen waar we het nodig hebben.
Voor de werkplekverlichting kan gekozen worden uit vele verschillende soorten  armaturen.  Bij het maken van de keuze moet men vooral letten op de  lichtopbrengst en de mate waarin het licht gespreid wordt.  Ook is het bij de  werkplekverlichting zeer belangrijk voor een goede afscherming van de lichtbron  te kiezen, om te voorkomen dat men direct in het licht kan kijken.  Hinderlijke  reflecties van het papier (b.v.  bij glimmende tijdschriften) dienen vermeden te  worden, door de armatuur zodanig op te stellen dat het gereflecteerde licht niet  op het gezicht kan schijnen.
Bij gebruik van een bureaulamp in combinatie met een concepthouder moet men er  voor waken dat het licht van de lamp ook niet op het beeldscherm reflecteert.
In de keuken is het belangrijk goed licht op de handen te hebben, b.v.  bij het  werken aan het aanrecht.  Wanneer men alleen kan beschikken over een lamp aan het  plafond, staat men zichzelf vaak in het licht.  Door TL-buisjes onder de  bovenkastjes te plaatsen, zorgt men voor genoeg licht op de handen.
Algemene verlichting en werkplekverlichting moeten in de juiste verhoudingen  gebruikt worden.  In het algemeen geldt dat een optimale situatie ontstaat  wanneer er sprake is van een verhouding van 1 staat tot 3 staat tot 10 (1:3:10)  tussen de lichtniveaus van respectievelijk de wijde omgeving, de naaste omgeving  en de directe werkplek.  Voor slechtzienden kunnen de verhoudingen 1:3:5:10  gelden.
Met deze verhoudingen wordt voorkomen dat er door te grote overgangen  adaptatie-problemen ontstaan.

Het is belangrijk de lichtbehoefte te bepalen, alvorens met optische  hulpmiddelen aan de slag te gaan.

Elke vergroting vraagt om verlichting.  Het licht wordt door de vergroting deels  ‘opgegeten’.

Hieronder zullen we nog enkele begrippen behandelen rondom verlichting die  belangrijk zijn.
Terug naar boven

3. BEGRIPPEN ROND VERLICHTING

3.1 Luminantie

Onder luminantie wordt verstaan: de verhouding van de lichtsterkte van een  lichtbron in een bepaalde richting tot het schijnbaar oppervlak van deze  lichtbron.
Met andere woorden: het oplichten van de armatuur.

3.2 Verlichtingssterkte

We kennen allemaal de kale gloeilamp midden in de kamer aan het plafond als we  pas verhuisd zijn.  Die lamp straalt naar alle kanten een zekere hoeveelheid  licht uit.  Die hoeveelheid wordt uitgedrukt in lumen: de hoeveelheid licht die  op een bepaald oppervlak wordt gemeten.
De verlichtingssterkte wordt gemeten met een luxmeter en uitgedrukt in lux.  Naarmate de afstand van de leeslamp tot het te verlichten voorwerp groter wordt,  neemt de verlichtingssterkte af, en wel met een kwadraat van die afstand.  Dus  als we een lamp op een afstand van twee meter boven een tafel hangen, krijgen we  viermaal minder licht op de tafel dan wanneer hij op één meter afstand boven de  tafel hangt.  Dus hoe dichter de lamp boven de tafel hangt, hoe hoger de  verlichtingssterkte op die tafel is.

3.3 Contrast

Bedoeld wordt het verschil in aanzicht tussen twee delen in het gezichtsveld die  tegelijkertijd of kort na elkaar worden gezien.  Het verschil kan veroorzaakt  worden door helderheidsverschillen, kleuronderscheid of door beide.
Slechtzienden hebben vaak baat bij grotere contrastverschillen.  Zo kan het  gemakkelijker zijn melk in een donkere mok te schenken dan in een witte.  Een  deurklink in een contrasterende kleur is gemakkelijker te vinden.
Tè grote contrastverschillen kunnen echter ook weer hinderlijk zijn, omdat ze  veel vragen van het aanpassingsvermogen van de ogen.  Een voorbeeld hiervan is  een raam bij avond waar geen gordijnen voor hangen.  Dit kan als een groot zwart  gat worden ervaren.

4. SCHEMA AANBEVOLEN  VERLICHTINGSSTERKTES

Hieronder volgt een schema waarin u de aanbevolen verlichtingssterktes voor  verschillende ruimtes en visuele taken vindt.

Typering ruimte / aanbevolen verlichtingssterkte

Typering van de visuele taak

Voorbeelden

geen werkruimte:
30-60 lux
vooral visuele oriëntatie; nauwelijks waarneming van details; wel van  grote objecten en beweging van personen opslagruimtes, parkeergarages
incidenteel in gebruik als werkruimte:
60-125 lux
vooral visuele oriëntatie; waarneming van zeer grove details en  beweging van personen gangen, trappenhuizen
voor grof werk:
125-250 lux
visuele taken met grove details grof constructiewerk in industrie, smederijen, magazijnen
voor normaal werk:
250-500 lux
visuele taken met normale details lees-/schrijfwerk met normale details; kantoren
voor fijn werk:
500-1000 lux
visuele taken met fijne details tekenkamers
voor zeer fijn werk:
1000-2000 lux
visuele taken met zeer fijne details precisiewerk in de industrie; kadastraal werk
voor bijzondere  visuele taken:
2000-4000 lux
visuele taken met minieme details microminiaturisatie
voor exceptionele visuele taken:
4000-8000 lux
visuele taken met details aan de grens van het waarneembare operatie-/ behandelruimte in ziekenhuis
Dit zijn algemene regels die opgesteld zijn voor goedzienden.
Voor slechtzienden dienen de individuele behoeftes nader onderzocht te worden

Laatst bijgewerkt op 4 juni 2011 – 20:56