Usher (progressieve cochleaire doofheid en (totale) gezichtsveldbeperking)
Uveïtis (ontsteking van de uvea = de pigmentlaag van de iris)
***
Usher, 1. C.H. Engels oogarts (overl. 1939); syndroom van ~, autosomaal-recessief-erfelijke progressieve cochleaire doofheid in de jeugd, retinopathia pigmentosa, hemeralopie, gestoord k.o.v., toenemende gezichtsveldbeperking tot tunnelvisus of totaal; zie abiotrophia. 2. B.D. Canadees huidarts (geb. 1899); ziekte van ~-Senear, pemphigus *erythematodes.
Links: Zie Abiotrophia, abiotrofie (Usher)
Uveítis: Ontsteking van de uvea ; ~ antérior, syn. iridocyclitis; endogene ~, ~ door lymfocytaire immuunreactie bij (hernieuwd) contact met een eerder causaal antigeen, voornamelijk bij ziekten als tuberculose, lepra, toxoplasmose, sarcoïdose; facogene ~, ~ door de werking van auto-antistoffen tegen lens-proteïnen (na kapseltrauma”s); ~ postérior, syn. choroïdoretinitis; zie ook sympathische *ophthalmia.uviólglas glas dat ultraviolette stralen goed doorlaat.
Laatst bijgewerkt op 19 juli 2011 – 05:44